Doorbraakvrije Dijken (WCT1)

  
'Praktisch doorbraakvrije dijken': een realistisch streven of een onmogelijkheid?

Veel discussie over 'praktisch doorbraakvrije' dijken blijkt het gevolg van het ontbreken van kennis en mogelijk onjuiste beeldvorming. Daarom heeft KvK een nadere verkenning laten doen naar zulke dijken. We hebben daarbij twee gevalstudies (casussen) gedaan in concrete gebieden.

'Praktisch doorbraakvrije' dijken zijn dijken die keren tot de kruin en ook als er heel veel water overheen loopt niet bezwijken. Zulke dijken hoeven niet zo hoog te zijn, maar ze moeten wel heel sterk zijn, want er mag geen bres in ontstaan, want dat leidt tot plotselinge onverwachte overstroming met de kans op veel slachtoffers. Bij 'doorbraakvrije dijken' loopt er alleen water het gebied in zolang het buitenwater hoger staat dan de dijk. En er komt dus minder water in het gebied, zodat er minder overstroomt en/of het minder diep wordt.

Basisprofielen dijkverbeteringstrajecten
Basisprofielen dijkverbeteringstrajecten (Figuur 18 in onderzoeksrapport)

Voor het Kromme-Rijngebied, waarin Utrecht en Amsterdam liggen, hebben we gekeken naar het verschil tussen het doorbreken van een conventionele dijk en het overlopen van een doorbraakvrije dijk langs de Lek. Bij een dijkdoorbraak stroomt meer dan 1 miljard m3 water het gebied en komt het water niet alleen tot aan Amsterdam, maar loopt het ook aangrenzende dijkringen in: Centraal Holland en de Lopiker- en Krimpenerwaard. Over een 'doorbraakvrije' dijk langs de Nederrijn-Lek stroomt maar 30 miljoen m3 water het gebied in. De overstroming blijft dan beperkt tot het zuiden van de dijkring (omgeving Langbroeker Wetering) en het duurt wel 3-4 dagen voor het water in Utrecht aankomt. Dat scheelt enorm in het aantal verdrinkingsgevallen.

Doorbraakvrije dijken zijn duurder dan conventionele. Maar ze hoeven niet zo hoog te zijn om dezelfde of meer risicoreductie op te leveren. Dus waar de kosten van 'doorbraakvrije' dijken groter zijn, zijn de baten dat ook: een significant lager schaderisico en vooral een veel kleiner slachtofferrisico. Daardoor ligt de 'economisch optimale overloopkans' (zeg maar: de dijkhoogte) ook lager dan bij een conventionele dijk. Maar de bezwijkkans (tegenwoordig ‘overstromingskans’ genoemd) is juist veel kleiner dan van een conventionele dijk. Met andere woorden: een ’doorbraakvrije’ dijk kan lager, omdat de bezwijkkans veel kleiner is; en zou vanuit economisch oogpunt ook lager moeten, omdat het maken van zo’n dijk duurder is.

Onze gevalstudies wezen uit dat met een conventionele dijk een 10 keer hoger beschermingsniveau dan het huidige economisch verantwoord is. Voor een doorbraakvrije dijk bleek dat die a) rendabel is als ie niet hoger wordt gemaakt dan de huidige maatgevende waterstand, dan b) dezelfde economische risicoreductie oplevert als '10 keer veiliger', en c) tevens het slachtofferrisico tot vrijwel 0 reduceert. Lagere 'doorbraakvrije' dijken zijn dus ongeveer net zo rendabel als hogere conventionele. Daarmee wordt de kernvraag voor de beleidsafweging welk maatschappelijk doel wordt nagestreefd: staat het voorkomen van grote aantallen slachtofferrisico’s en domino-effecten centraal of is ’highest return on investment’ het doorslaggevend criterium?

Het project is nu afgerond. Het rapport is beschikbaar, op 5 maart 2014 is er een drukbezochte studiedag geweest in Zwolle (samen met STOWA) en er is een studentenrapport (in het Engels) geschreven, over waarom doorbraakvrije dijken in de praktijk nog maar zo sporadisch worden aangelegd.

Informatie: frans.klijn(at)deltares.nl